Leiderschap of lidmaatschap

De werkelijke betekenis van lidmaatschap; hoe wordt je mede-stander in plaats van tegenstander.

Groucho Marx, een grappenmaker uit de oude doos zei ooit: ‘I refuse to join any club that would have me as a member’ oftewel: ik zou nooit lid willen worden van een club die mij als lid wil hebben.
Maar is lidmaatschap wel zo iets weerzinwekkends dat je er ver van moet blijven? Of is het juist de kern van je existentie om als lid van een groep / team te functioneren?

In ons leven zijn we vaker bezig met het bevestigen van ons gelijk en met de ander van ons gelijk te overtuigen, dan dat we bezig zijn met het willen begrijpen van de gedachten en overwegingen van de ander.

We denken niet waar zit het gelijk van de ander in en hoe kan ik daar contact mee maken en om de bruggen tussen je eigen perceptie en dat van de ander te zoeken. Vanuit onze familiestructuren zijn we vaak eerder geneigd het tegendeel te doen. We zien de ander als opponent in plaats van als iemand waarmee we verbonden zijn vanuit onze gemeenschappelijke betrokkenheid.

De sleutel voor een goede dialoog zit daarentegen juist in het vinden van je eigen interne ruimte om het perspectief te nemen waarin je de ander als ‘een van ons’ ziet; niet als een tegenstander maar als een mede-betrokkene met een ander perspectief.

In een organisatie ben je (als het goed is) samen met de zelfde missie bezig. Je hebt het over dezelfde doelen. Processen die tussen mensen spelen, zetten de gemeenschappelijke taak vaak onder druk; daarom is het goed om bij de start van een dialoog de gemeenschappelijke taak helder te verwoorden zodat de neuzen dezelfde taak-kant op staan en dat het niet om competitie of competentie gaat.
Wanneer je in staat bent om de taak centraal te zetten, zit je goed in je rol en kan je het doel van de organisatie beter begrijpen en beter dienen. We tonen onszelf dan vanuit datgene wat we institutioneel representeren en daarmee kunnen we de kern van onze persoonlijke existentie laten zien. We tonen ons als lid van de organisatie in de rol waarmee we optimaal bijdragen aan de gemeenschappelijke doelen; we tonen persoonlijke en professionele integriteit.

Ontwikkelingspsycholoog Erik Erikson zet integriteit helder af tegenover wanhoop. Wanneer je vanuit integriteit deelneemt aan een gesprek en een taak in een organisatie aanvaard, integreer je volgens Erikson de taak die je hebt, vanuit je gehele geïntegreerde persoon.  Wat je zegt doe je oprecht en dan hoef je geen spijt van je bijdrage te hebben. Ook als je argument sneuvelt heb je integer bijgedragen aan het ontwikkelen van dieper inzicht en nieuwe perspectieven.  In die zin ben je succesvol en accepteer je jezelf en de ander vanuit de oprechte betrokkenheid en wordt je niet de maat genomen vanuit het perspectief wie het beste idee heeft geleverd. Uit co-creatie wordt 1 + 1 drie en ervaar je het deel zijn van een proces als positieve uiting van jouw existentie. Dat is de winst die je behaalt.

De andere kant die Erikson beschrijft, de staat van wanhoop, verwijst dan naar een conditie waarin je gevoelens van spijt, schaamte of teleurstelling hebt ontwikkeld. Gevoelens en overtuigingen waarbij je teleurgesteld bent over je bijdrage en je je meer fixeert op fouten en tekortkomingen dan op de waarde van jouw contributie Uiteindelijk ga je je hulpeloos voelen en word je depressief.

In veel onderzoeken wordt het kunnen bijdragen aan de gemeenschappelijke taak en daarin erkend worden, naast de mogelijkheid van zelfsturing, benoemd als belangrijke factor die bijdragen aan arbeidssatisfactie. Een miljoen winnen in de loterij maakt je 1% gelukkiger, maar het gevoel een waardevolle bijdrage aan de gemeenschappelijke taak te leveren, levert wel 17% verhoging van je zelfbeeld en tevredenheid op.

De kern van organisationeel functioneren wordt dan ook niet gevormd door leiderschap maar door lidmaatschap. Lever je jouw unieke bijdrage aan een proces? Of je nou een startende collega bent of een oude rot in het vak: ieder is nodig om uiteindelijk succes te hebben en succes heeft ook alle leden van de organisatie nodig om tot stand te komen.

De kunst is dus om de ander te ervaren als een mede-stander en niet als een tegenstander.